De Nederlandse versie van dit verhaal is herzien door de schrijver Finn Audenaert.
Na
Jorges dood bracht ik een tijdlang mijn dagen door met herinneringen bijeen te
rapen uit alle hoeken van het huis, als was het vuile was. Ik stopte ze in een
rieten mand, in de hoop dat ik ze er ooit weer uit zou halen, wassen, in de zon
drogen, strijken en misschien opnieuw gebruiken … zoals je doet met een oud
overhemd, versleten maar vertrouwd.
Maar het was valse hoop.
Het werkte niet.
Het verdriet dat mij doordrong was zo overweldigend dat het huis in een
gevangenis veranderde, en iedere minuut begon te lijken op die waarmee een
levenslange gevangenisstraf wordt afgemeten: beklemmende ogenblikken die,
opgestapeld, je doen verlangen naar het einde van de straf, naar het einde van
de marteling.
Ik dwaalde van kamer
naar kamer, mijn voeten slepend over de vloer. Ik nam een voorwerp op om het
onmiddellijk weer op precies dezelfde plaats terug te zetten, erop lettend dat
het zelfs geen millimeter verschoven was. Ik maakte verschillende nutteloze inventarissen
en ontdekte dat keramiek en ivoren beeldjes soms meer leven bezitten dan een
mens, vooral wanneer die mens gekwetst is, wanneer de pijn zich als een gif in
zijn lichaam heeft vastgezet en hem volledig verlamt.
Maar ik moest iets
doen om niet helemaal ten onder te gaan. Op aanraden van familie en vrienden
dwong ik mezelf tot handelen. Ik maakte er een gewoonte van iedere dag door de
wijk te wandelen, langs de straten waar Jorge en ik zo vaak samen hadden gelopen.
Ik liep maar door,
terwijl ik gedachteloos tuinen en gevels bekeek, cafés, parken, winkels en
monumenten.
Toch beleefde ik er
geen enkel plezier aan.
Het was aangenaam,
zelfs rustgevend, maar al snel ontdekte ik dat het minder gevaarlijk was binnen
te blijven, want op iedere straathoek wachtten de herinneringen mij op als een
vuistslag recht op de kaak – die gezegende en vervloekte herinneringen …
Dus gaf ik mijn
wandelingen op en bracht ik mijn ochtenden, middagen en avonden voor de
televisie door, met een leeg hoofd en zonder de minste belangstelling voor wat
ik zag.
Wat moest ik doen?
Verhuizen?
Alleen al de gedachte
mijn spullen in dozen te stoppen verlamde me. Elk voorwerp voelde als een
enkeltje naar de nostalgie, een uitnodiging tot melancholie.
Een goede vriendin
stelde voor dat ik naar een ontmoetingscentrum zou gaan. Misschien zou ik daar
een man leren kennen met wie ik mijn leven opnieuw kon opbouwen.
Mijn leven opnieuw
opbouwen?
Mijn leven lag niet
in puin.
Het bestond
eenvoudigweg niet meer.
Het was een leegte geworden.
Een enorme, holle
leegte.
De herfst was somber
en de winter afschuwelijk. Ik geloof dat ik een twintigtal romans heb gelezen,
omdat ik de televisie beu was, en duizend idiote programma’s heb bekeken, moe
van al die belachelijke verhalen waarin mensen veel grotere en pijnlijkere problemen
hadden dan de mijne, maar ze oplosten met een gemak dat me angst inboezemde.
Ik had geen
financiële zorgen, geen kinderen die mij nodig hadden en geen kleinkinderen om
lief te hebben.
Dus bleef ik
wegzakken in het moeras, vergeten midden in een onherbergzaam land waar niemand
ooit langskwam.
Vragen jullie of ik
gehuild heb?
Ik heb gehuild tot er
geen tranen meer over waren, tot ik mezelf ervan overtuigd had dat huilen
nergens toe diende, dat Jorge niet zou terugkeren en dat ik de moed niet bezat
om hem achterna te gaan.
Toen voelde ik het
verpletterende gewicht van mijn ongeloof.
Kon ik me tenminste
maar een plaats voorstellen voorbij het leven, waar hij op mij wachtte.
September was niet
beter dan augustus en oktober was erger dan welke maand van welk jaar ook. De
uren rekten zich uit met een wreedheid die een monster uit een roman waardig
was, en mijn verlangen om het huis te verlaten begon zich te vermengen met mijn
onvermogen om er ook werkelijk een voet buiten te zetten.
Ik slingerde heen en
weer als een pendel, verscheurd, verbijsterd, verdoofd als een haas die midden
op de weg verstijft in het licht van koplampen.
Is er dan geen
uitweg?
Nee, antwoordde ik op een vraag die eigenlijk geen antwoord nodig had.
Toch sloot ik, kort
voor Kerstmis, het huis af en vertrok naar de kust.
Aanvankelijk wist ik
zelf niet waarom ik dat deed, al dacht ik misschien, diep verborgen in een
afgesloten kamer van mijn geest, dat afstand nemen van de vertrouwde plaatsen
en voorwerpen mij de kans zou geven alles vanuit een ander perspectief te
bekijken.
Dat was niet waar.
Wat ik werkelijk
zocht, was een ogenblik dat ik drie jaar eerder samen met Jorge had beleefd.
Ik zocht dat ene
moment van betoverende onrust toen wij, gezeten op de treden van een
geïmproviseerd openluchttheater, keken naar een jong acrobatenechtpaar.
Die zomer, gedragen
door de volmaakte en weemoedige klanken van het Adagietto uit Mahlers Vijfde
Symfonie, draaiden en zweefden die twee rond een metalen constructie. Ze
verstrengelden zich in kleurrijke doeken, stortten zich naar de afgrond en
stegen daarna weer op als rusteloze vogels.
Tijdens de hele
voorstelling zaten Jorge en ik hand in hand, met het hart in de keel, terwijl
we ons een liefdesverhaal voorstelden dat getekend was door ontberingen en
scheidingen.
‘Het leven van
rondreizende artiesten,’ zeiden we.
We gingen iedere
avond naar hen kijken, tijdens wat later onze laatste zomer aan zee zou blijken
te zijn, zonder ook maar te vermoeden dat de dood ons toen al op de hielen zat,
bezig het geschenk voor te bereiden dat hij ons pas na vele maanden van lijden
zou overhandigen.
We bleven terugkomen
omdat we allebei een beetje verliefd waren geworden op die acrobaten, alsof we
met onze vingertoppen bijna vijftig jaar konden aanraken die uit het weefsel
van de tijd waren losgeraakt.
Noem me gerust een
masochist.
Ik zal het je niet
kwalijk nemen.
Ik wilde hen
terugzien om tenminste één stukje terug te vinden van het verleden dat ik met
Jorge had gedeeld.
Ook dat hielp niet.
Op het plein waren
clowns, muzikanten met gitaren en mondharmonica’s, schakers en poppenspelers,
maar zij waren er niet.
Wat ben ik toch
dom, dacht ik. Waarom heb ik aangenomen dat ze drie
jaar later nog altijd op dezelfde plek optreden, nog steeds vliegend en
draaiend door de lucht, gedragen door Mahlers sublieme muziek? Er zijn zoveel
badplaatsen!
Ik verliet het plein
en liep naar de zee.
De zomer liep ten einde.
Binnenkort zou de
uittocht beginnen; de leegte en de stilte zouden de overwinning behalen.
Op de pieren, waar
slechts enkele vissers heen en weer liepen, leek alles mijn verlatenheid te
weerspiegelen.
Ik volgde de
boulevard richting haven, steeds verder van het centrum vandaan, terwijl ik de
schemering afzocht in de hoop mijn verloren geest terug te vinden.
Maar Jorge was er
natuurlijk niet.
Mijn fantasieën
zouden altijd blijven wat ze waren: schaduwen, veroordeeld om opgesloten te
blijven in hun kisten; halskettingen van niets; vogels van schuim die oplossen
in de nacht.
Ik leunde met mijn
ellebogen op de stenen balustrade van de boulevard en liet mijn tranen zonder
enige schaamte stromen.
Niemand kon mij toch
zien.
En zelfs áls iemand
mij had gezien, dacht ik … wie maakt zich druk om een oude vrouw die huilt om
de man van wie ze hield?
Het onherroepelijke
van de situatie overviel me opnieuw.
Maar dit keer
verzette ik me niet.
Zo zou het blijven
tot het einde.
En voor het eerst
wenste ik dat dat einde niet al te lang op zich zou laten wachten.
Na een tijdje merkte
ik dat enkele meters verder een jongleur zijn knotsen met grote vaardigheid in
de lucht wierp, maar zonder enig enthousiasme.
Niemand keek naar
zijn optreden.
Toch bleef hij de
knotsen opgooien en weer opvangen, opgooien en weer opvangen, als een
mechanische herhaling van een eindeloze routine.
Toen hield hij
plotseling op.
Hij raapte zijn
knotsen op en liep recht op mij af.
‘Ik wachtte op u,’
zei hij.
‘Op mij?’
Mijn verbazing was
oprecht.
Hij was die acrobaat,
de jonge man die hoog in de metalen constructie zijn partner tussen rode en
gele doeken de lucht in wierp, haar hand greep of juist losliet zodat ze naar
de afgrond leek te storten; haar weer optilde en opnieuw losliet, in een waanzinnige
choreografie die geen einde leek te kennen.
Hij was het.
Daar bestond geen twijfel over.
Maar had hij op míj
gewacht?
We hadden nooit één
enkel woord met elkaar gewisseld.
Hij kon zich mij
onmogelijk herinneren.
Ik was slechts een
van de vele schaduwen in het publiek geweest, betoverd door hun vlucht en door
de muziek.
‘Ja, op u,’
antwoordde hij. ‘Waarom niet? Mahler is stil geworden, weet u. De muziek is
verdwenen. Op het plein klinkt het Adagietto niet meer. Ik kon haar niet
vasthouden … Ze viel van zeven meter hoog.’
Ik sloeg mijn hand
voor mijn mond en onderdrukte een snik.
Ik wist niet wat ik
moest zeggen.
Hij wel.
‘Ik ben ook alleen
achtergebleven … begrijpt u?’
El cuento en neerlandés:
Sergio Gaut vel Hartman - Vluchten
El cuento en castellano:
https://microficcionesycuentos.blogspot.com/2026/07/vuelos.html

No hay comentarios:
Publicar un comentario