miércoles, 8 de julio de 2026

VLUCHTEN

De Nederlandse versie van dit verhaal is herzien door de schrijver Finn Audenaert. 



Na Jorges dood bracht ik een tijdlang mijn dagen door met herinneringen bijeen te rapen uit alle hoeken van het huis, als was het vuile was. Ik stopte ze in een rieten mand, in de hoop dat ik ze er ooit weer uit zou halen, wassen, in de zon drogen, strijken en misschien opnieuw gebruiken … zoals je doet met een oud overhemd, versleten maar vertrouwd.

Maar het was valse hoop.

Het werkte niet.

Het verdriet dat mij doordrong was zo overweldigend dat het huis in een gevangenis veranderde, en iedere minuut begon te lijken op die waarmee een levenslange gevangenisstraf wordt afgemeten: beklemmende ogenblikken die, opgestapeld, je doen verlangen naar het einde van de straf, naar het einde van de marteling.

Ik dwaalde van kamer naar kamer, mijn voeten slepend over de vloer. Ik nam een voorwerp op om het onmiddellijk weer op precies dezelfde plaats terug te zetten, erop lettend dat het zelfs geen millimeter verschoven was. Ik maakte verschillende nutteloze inventarissen en ontdekte dat keramiek en ivoren beeldjes soms meer leven bezitten dan een mens, vooral wanneer die mens gekwetst is, wanneer de pijn zich als een gif in zijn lichaam heeft vastgezet en hem volledig verlamt.

Maar ik moest iets doen om niet helemaal ten onder te gaan. Op aanraden van familie en vrienden dwong ik mezelf tot handelen. Ik maakte er een gewoonte van iedere dag door de wijk te wandelen, langs de straten waar Jorge en ik zo vaak samen hadden gelopen.

Ik liep maar door, terwijl ik gedachteloos tuinen en gevels bekeek, cafés, parken, winkels en monumenten.

Toch beleefde ik er geen enkel plezier aan.

Het was aangenaam, zelfs rustgevend, maar al snel ontdekte ik dat het minder gevaarlijk was binnen te blijven, want op iedere straathoek wachtten de herinneringen mij op als een vuistslag recht op de kaak – die gezegende en vervloekte herinneringen …

Dus gaf ik mijn wandelingen op en bracht ik mijn ochtenden, middagen en avonden voor de televisie door, met een leeg hoofd en zonder de minste belangstelling voor wat ik zag.

Wat moest ik doen?

Verhuizen?

Alleen al de gedachte mijn spullen in dozen te stoppen verlamde me. Elk voorwerp voelde als een enkeltje naar de nostalgie, een uitnodiging tot melancholie.

Een goede vriendin stelde voor dat ik naar een ontmoetingscentrum zou gaan. Misschien zou ik daar een man leren kennen met wie ik mijn leven opnieuw kon opbouwen.

Mijn leven opnieuw opbouwen?

Mijn leven lag niet in puin.

Het bestond eenvoudigweg niet meer.

Het was een leegte geworden.

Een enorme, holle leegte.

De herfst was somber en de winter afschuwelijk. Ik geloof dat ik een twintigtal romans heb gelezen, omdat ik de televisie beu was, en duizend idiote programma’s heb bekeken, moe van al die belachelijke verhalen waarin mensen veel grotere en pijnlijkere problemen hadden dan de mijne, maar ze oplosten met een gemak dat me angst inboezemde.

Ik had geen financiële zorgen, geen kinderen die mij nodig hadden en geen kleinkinderen om lief te hebben.

Dus bleef ik wegzakken in het moeras, vergeten midden in een onherbergzaam land waar niemand ooit langskwam.

Vragen jullie of ik gehuild heb?

Ik heb gehuild tot er geen tranen meer over waren, tot ik mezelf ervan overtuigd had dat huilen nergens toe diende, dat Jorge niet zou terugkeren en dat ik de moed niet bezat om hem achterna te gaan.

Toen voelde ik het verpletterende gewicht van mijn ongeloof.

Kon ik me tenminste maar een plaats voorstellen voorbij het leven, waar hij op mij wachtte.

September was niet beter dan augustus en oktober was erger dan welke maand van welk jaar ook. De uren rekten zich uit met een wreedheid die een monster uit een roman waardig was, en mijn verlangen om het huis te verlaten begon zich te vermengen met mijn onvermogen om er ook werkelijk een voet buiten te zetten.

Ik slingerde heen en weer als een pendel, verscheurd, verbijsterd, verdoofd als een haas die midden op de weg verstijft in het licht van koplampen.

Is er dan geen uitweg?

Nee, antwoordde ik op een vraag die eigenlijk geen antwoord nodig had.

Toch sloot ik, kort voor Kerstmis, het huis af en vertrok naar de kust.

Aanvankelijk wist ik zelf niet waarom ik dat deed, al dacht ik misschien, diep verborgen in een afgesloten kamer van mijn geest, dat afstand nemen van de vertrouwde plaatsen en voorwerpen mij de kans zou geven alles vanuit een ander perspectief te bekijken.

Dat was niet waar.

Wat ik werkelijk zocht, was een ogenblik dat ik drie jaar eerder samen met Jorge had beleefd.

Ik zocht dat ene moment van betoverende onrust toen wij, gezeten op de treden van een geïmproviseerd openluchttheater, keken naar een jong acrobatenechtpaar.

Die zomer, gedragen door de volmaakte en weemoedige klanken van het Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie, draaiden en zweefden die twee rond een metalen constructie. Ze verstrengelden zich in kleurrijke doeken, stortten zich naar de afgrond en stegen daarna weer op als rusteloze vogels.

Tijdens de hele voorstelling zaten Jorge en ik hand in hand, met het hart in de keel, terwijl we ons een liefdesverhaal voorstelden dat getekend was door ontberingen en scheidingen.

‘Het leven van rondreizende artiesten,’ zeiden we.

We gingen iedere avond naar hen kijken, tijdens wat later onze laatste zomer aan zee zou blijken te zijn, zonder ook maar te vermoeden dat de dood ons toen al op de hielen zat, bezig het geschenk voor te bereiden dat hij ons pas na vele maanden van lijden zou overhandigen.

We bleven terugkomen omdat we allebei een beetje verliefd waren geworden op die acrobaten, alsof we met onze vingertoppen bijna vijftig jaar konden aanraken die uit het weefsel van de tijd waren losgeraakt.

Noem me gerust een masochist.

Ik zal het je niet kwalijk nemen.

Ik wilde hen terugzien om tenminste één stukje terug te vinden van het verleden dat ik met Jorge had gedeeld.

Ook dat hielp niet.

Op het plein waren clowns, muzikanten met gitaren en mondharmonica’s, schakers en poppenspelers, maar zij waren er niet.

Wat ben ik toch dom, dacht ik. Waarom heb ik aangenomen dat ze drie jaar later nog altijd op dezelfde plek optreden, nog steeds vliegend en draaiend door de lucht, gedragen door Mahlers sublieme muziek? Er zijn zoveel badplaatsen!

Ik verliet het plein en liep naar de zee.

De zomer liep ten einde.

Binnenkort zou de uittocht beginnen; de leegte en de stilte zouden de overwinning behalen.

Op de pieren, waar slechts enkele vissers heen en weer liepen, leek alles mijn verlatenheid te weerspiegelen.

Ik volgde de boulevard richting haven, steeds verder van het centrum vandaan, terwijl ik de schemering afzocht in de hoop mijn verloren geest terug te vinden.

Maar Jorge was er natuurlijk niet.

Mijn fantasieën zouden altijd blijven wat ze waren: schaduwen, veroordeeld om opgesloten te blijven in hun kisten; halskettingen van niets; vogels van schuim die oplossen in de nacht.

Ik leunde met mijn ellebogen op de stenen balustrade van de boulevard en liet mijn tranen zonder enige schaamte stromen.

Niemand kon mij toch zien.

En zelfs áls iemand mij had gezien, dacht ik … wie maakt zich druk om een oude vrouw die huilt om de man van wie ze hield?

Het onherroepelijke van de situatie overviel me opnieuw.

Maar dit keer verzette ik me niet.

Zo zou het blijven tot het einde.

En voor het eerst wenste ik dat dat einde niet al te lang op zich zou laten wachten.

Na een tijdje merkte ik dat enkele meters verder een jongleur zijn knotsen met grote vaardigheid in de lucht wierp, maar zonder enig enthousiasme.

Niemand keek naar zijn optreden.

Toch bleef hij de knotsen opgooien en weer opvangen, opgooien en weer opvangen, als een mechanische herhaling van een eindeloze routine.

Toen hield hij plotseling op.

Hij raapte zijn knotsen op en liep recht op mij af.

‘Ik wachtte op u,’ zei hij.

‘Op mij?’

Mijn verbazing was oprecht.

Hij was die acrobaat, de jonge man die hoog in de metalen constructie zijn partner tussen rode en gele doeken de lucht in wierp, haar hand greep of juist losliet zodat ze naar de afgrond leek te storten; haar weer optilde en opnieuw losliet, in een waanzinnige choreografie die geen einde leek te kennen.

Hij was het.

Daar bestond geen twijfel over.

Maar had hij op míj gewacht?

We hadden nooit één enkel woord met elkaar gewisseld.

Hij kon zich mij onmogelijk herinneren.

Ik was slechts een van de vele schaduwen in het publiek geweest, betoverd door hun vlucht en door de muziek.

‘Ja, op u,’ antwoordde hij. ‘Waarom niet? Mahler is stil geworden, weet u. De muziek is verdwenen. Op het plein klinkt het Adagietto niet meer. Ik kon haar niet vasthouden … Ze viel van zeven meter hoog.’

Ik sloeg mijn hand voor mijn mond en onderdrukte een snik.

Ik wist niet wat ik moest zeggen.

Hij wel.

‘Ik ben ook alleen achtergebleven … begrijpt u?’


El cuento en neerlandés:

Sergio Gaut vel Hartman - Vluchten

El cuento en castellano: 

https://microficcionesycuentos.blogspot.com/2026/07/vuelos.html 

 

No hay comentarios:

Publicar un comentario

UN MINUTO DEL SUO TEMPO

«Aspetti. Rimanga un minuto». L’uomo la guardò stranito; aveva finito di vestirsi e tirò una boccata nervosa alla sigaretta, come se la rich...